Palet CKV2  De cultuur van het moderne in de 1ste helft van de 20ste eeuw

Inhoudsopgave

Inleiding

Aan de leerling

Afdeling 1            Informatie en oriëntatie

Maatschappelijke en politieke ontwikkelingen

De cultuur van het moderne in de eerste helft van de twintigste eeuw

Zeven oriëntatieopdrachten

Afdeling 2            Verdieping

De invalshoeken van CKV 2

Zelfstandig leren bij CKV 2, een stappenplan

Probleemstellingen: hoe ga je er mee om?

- voorbeelduitwerking bij invalshoek 1

- voorbeelduitwerking bij invalshoek 2

- voorbeelduitwerking bij invalshoek 3

- voorbeelduitwerking bij invalshoek 4

- voorbeelduitwerking bij invalshoek 5

- voorbeelduitwerking bij invalshoek 6

Probleemstellingen en onderzoeksvragen

- bij invalshoek 1: Kunst en religie, levensbeschouwing

- bij invalshoek 2: Kunst en esthetica (alleen voor vwo)

- bij invalshoek 3: Kunstenaar en opdrachtgever; politieke en economische macht

- bij invalshoek 4: Kunst en vermaak

- bij invalshoek 5: Kunst, wetenschap en techniek           

- bij invalshoek 6: Kunst intercultureel

Afdeling 3            Afsluiting

Afdeling 4            Kunst in de tijd (de tijdbalk)

Inleiding

CKV 2 hoort bij het profiel cultuur en maatschappij (C&M) of is een apart vak in het vrije deel.

CKV 2 wordt ook algemene kunsttheorie genoemd en gaat over de vier belangrijkste kunstdisciplines: muziek, beeldende kunst, dans en drama. Het leuke van het vak is dat je dat het meeste leert door veel te kijken en te luisteren én door erover te lezen en te praten. Je kunt bijv. discussiëren over waarom kunst er in een bepaalde periode zó uitziet. Of je vergelijkt de invloed van allerlei technische vindingen op muziekuitvoeringen in de vorige eeuw met nu.

 

Je gaat dus in dit vak verschijnselen van kunst en cultuur bestuderen. Zo kun je bijvoorbeeld aan de hand van probleemstellingen en onderzoeksvragen een ‘antwoord’ proberen te vinden op de volgende vragen:

- Wat hebben de ontwikkeling van het gregoriaans gezang en het bouwen van middeleeuwse kloosters en kathedralen met elkaar te maken?

- Waarom waren de wereldtentoonstellingen aan het eind van de negentiende eeuw belangrijk voor de verspreiding van kennis van niet-westerse culturen?

- Hoe komt het dat in de eerste helft van de twintigste eeuw de dans uit Rusland inspirerend werkte op beeldende kunstenaars en musici in Parijs, het centrum van de Europese kunst?

- Waarom worden in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw Kunst met een grote K en kunst met een kleine k soms door elkaar gebruikt?

 

Het antwoord op die vragen vind je niet alleen door te lezen en te overleggen met je klasgenoten. Door veel te kijken en te luisteren naar producten van kunst en cultuur krijg je inzicht in de kunstgeschiedenis. Je kunt bijvoorbeeld:

- luisteren naar gregoriaanse muziek uit de Middeleeuwen en voorbeelden van architectuur uit deze tijd bezoeken en bekijken;

- boeken lezen en filmfragmenten bekijken over de wereldtentoonstellingen in Groot-Brittannië en Frankrijk;

- kijken naar (fragmenten van) toneelvoorstellingen om overeenkomsten en verschillen te ontdekken met soaps op televisie.

Kortom, CKV 2 is een spannend vak waarin je veel over de achtergronden van de kunst in verschillende perioden te weten komt.

De perioden die bij CKV 2 worden behandeld zijn:

1 Cultuur van de kerk van de elfde tot en met de veertiende eeuw.

2 Hofcultuur in de zestiende en zeventiende eeuw.

3 Burgerlijke cultuur in Nederland in de zeventiende eeuw.

4 Cultuur van Romantiek en realisme in de negentiende eeuw.

5 Cultuur van het moderne in de eerste helft van de twintigste eeuw.

6 Massacultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Havo-leerlingen doen examen over drie van de zes perioden waarbij altijd de laatste twee perioden aan bod komen. Elk jaar is er nog één ander onderwerp verplicht. Vwo-leerlingen doen examen over vijf van de zes perioden, waarbij ook altijd de laatste twee verplicht zijn. Een van de andere perioden wordt weggelaten. Die wisselt per twee jaar.

Elke periode wordt steeds bestudeerd vanuit een aantal invalshoeken (vijf voor havo en zes voor vwo). De verschillende invalshoeken zijn:

1 Kunst en religie, levensbeschouwing.

2 Kunst en esthetica (alleen voor het vwo).

3 Kunstenaar en opdrachtgever; politieke en economische macht.

4 Kunst en vermaak.

5 Kunst, wetenschap en techniek.

6 Kunst intercultureel.

Aan de leerling

Voor je ligt een boek dat incompleet is. Sterker nog, het is een boek waarvan jij de inhoud mede bepaalt. Het is dus geen boek vol met kennis die je uit je hoofd moet leren, maar een methode die je aanspoort om te lezen, onderzoek te doen, informatie te verzamelen, te verwerken en te presenteren.

In afdeling 2 van deze methode worden stellingen geformuleerd die jij probeert te onderbouwen. Daarvoor ga je zelf op zoek naar informatie. Dat kan in de bibliotheek en op internet. Om een voorbeeld te noemen: op bladzijde 00 staat de probleemstelling De opvattingen van Bartók over volksmuziek zijn wezenlijk anders dan die van de romantici uit de negentiende eeuw.

Bij nader onderzoek kun je jezelf bij deze stelling een aantal vragen stellen:

- Wie is Bartók en wat is precies volksmuziek?

- Wanneer en waar heeft hij geleefd?

- Heeft hij zelf volksmuziek gemaakt?

- Hoe dacht hij over volksmuziek?

- Hoe hebben componisten in de negentiende eeuw tegen volksmuziek aangekeken?

- Waarom is er in de probleemstelling sprake van verschillende opvattingen?

Op deze manier verdiep je je in een onderwerp. Om je op gang te helpen staan er bij elke probleemstelling een aantal onderzoeksvragen. Door deze vragen te beantwoorden krijg je inzicht in de probleemstelling. Als alles goed verloopt ben je aan het eind van je onderzoek in staat om de probleemstelling met argumenten te onderbouwen.

Afdeling 1: informatie en oriëntatie

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Maar dit boek geeft je wel de hulpmiddelen die je nodig hebt. In afdeling 1 staan twee inleidende paragrafen. De eerste geeft je een beeld van de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. En de tweede gaat in op het culture klimaat in Europa aan het begin van de twintigste eeuw. In deze twee paragrafen vind je geen kant-en-klare antwoorden op de onderzoeksvragen in afdeling 2, maar je krijgt wel een tijdsbeeld van het begin van de twintigste eeuw. De zeven oriëntatieopdrachten aan het eind van afdeling 1 spreken voor zich. Zoals het woord al zegt, zijn ze bedoeld ter oriëntatie op de cultuur van het moderne, zoals deze periode ook wel genoemd wordt.

Afdeling 2: verdieping

In afdeling 2 ga je echt de diepte in. Het examenprogramma geeft zes verschillende manieren om de cultuur van het moderne te bekijken. Dit zijn de invalshoeken. Invalshoek 1 bijvoorbeeld bekijkt de manier waarop kunstenaars levensbeschouwelijke of religieuze opvattingen in hun kunst verwerken.

Bij elke invalshoek horen een aantal onderwerpen en daarbij wordt een probleemstelling gegeven. Bij elke probleemstelling staan vervolgens een aantal onderzoeksvragen. Onder de onderzoeksvragen vind je steeds een aantal trefwoorden die je op gang kunnen bij helpen bij het zoeken naar informatie. Individueel of per groep ga je een aantal lessen zelfstandig op zoek naar materiaal dat een antwoord op de probleemstelling kan onderbouwen.

Op verschillende plaatsen in het boek worden informatiebronnen vermeld: standaardbronnen en andere, meer specifieke, bronnen. De standaardbronnen die deze methode gebruikt, zijn:

[1]        Honour and Fleming, Algemene kunstgeschiedenis.

[2]        E.H. Gombrich, Eeuwige schoonheid.

[3]        Luuk Utrecht, Van hofballet tot postmoderne dans.

[4]        Lonnie Brooks, Blues voor dummies.

[5]        Dirk Sutro, Jazz voor dummies.

[6]        Wouter Steffelaar, Muzikale stijlgeschiedenis.

[7]        David Pogue & Scott Speck, Klassieke muziek voor dummies.

[8]        Phyllis Hartnoll, Een geschiedenis van het theater.

[9]        EPN, De bespiegeling, tekstboek havo/tekstboek vwo.

Als digitale bronnen zijn de volgende websites het vermelden waard:

static.kunstelo.nl/ckv2

www2.lokv.nl/bronnenbundels

Gezien de beschikbare tijd voor CKV 2 in de bovenbouw van het havo en het vwo, is het onmogelijk om alle probleemstellingen in dit katern te onderzoeken en te onderbouwen. Het is dan ook de bedoeling dat de probleemstellingen in de klas verdeeld worden. Dat kan op verschillende manieren: alle probleemstellingen tegelijk of per invalshoek. Elke docent is vrij om een eigen verdeling te maken.

Alleen of in een tweetal ga je een probleemstelling te lijf. Zorg ervoor dat je medeleerlingen door middel van een samenvatting en/of een presentatie in de klas mét kunstvoorbeelden op de hoogte gebracht worden van jouw onderzoek. De informatie van alle leerlingen wordt na de presentaties verzameld en gebundeld. Op deze manier ben je verantwoordelijk voor een deel van de leerstof, terwijl je van je medeleerlingen iets leert over andere probleemstellingen en invalshoeken.

Probleemstellingen: voorbeelden van aanpak

Om je een idee te geven van hoe je kunt werken, zijn er in het eerste deel van afdeling 2 zes uitwerkingen gemaakt. Die voorbeelduitwerkingen zijn gemaakt vanuit verschillende kunstdisciplines en voor elke invalshoek is er één. Er zijn altijd kunstvoorbeelden bij gebruikt, want zonder beeldende, dans-, muziek- en filmvoorbeelden is het onmogelijk om de probleemstellingen te onderbouwen. De voorbeelduitwerkingen zijn bedoeld ter oriëntatie. Ze zijn zeer geschikt om ter introductie klassikaal uit te voeren.

Zelfstandig leren staat in deze methode centraal. Hoe je dat doet wordt uitgelegd in een stappenplan op bladzijde 00. Het is belangrijk dat je volgens dit schema werkt wanneer je met de opdrachten aan de slag gaat.

Afdeling 3: afsluiting

De afsluitende opdracht van dit katern is vooral bedoeld je kennis van de cultuur van de eerste helft van de twintigste eeuw te toetsen. Hij bestaat uit dertien cirkels met daarin telkens vier belangrijke begrippen en namen uit deze periode. De opdracht peilt niet alleen je kennis maar is ook erg geschikt om je snel een overzicht te geven van de belangrijke items in de cultuur van het moderne. De uitgebreidere opdracht van afdeling 3, het maken van een zogeheten mindmap, kun je ook op een later tijdstip maken. Als een soort herhalingsoefening.

Afdeling 4: de tijdbalk

De geïllustreerde tijdbalk achter in dit boek geeft een overzicht van hoogtepunten in de cultuurgeschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw.

Het gaat in deze methode dus niet zozeer om feitenkennis. Wel is het belangrijk dat je kunstwerken kunt interpreteren en in de context van de tijd kunt plaatsen. Dat wordt op het examen ook van je verwacht. Daar wordt niet gevraagd van wanneer tot wanneer Nijinsky heeft geleefd. Maar je kunt wel vragen verwachten over zijn vernieuwende ideeën over de dans vergeleken met het academische Russische ballet in de negentiende eeuw.

Afdeling 2

De invalshoeken van CKV 2

Zoals in Aan de leerling op bladzijde 00 al staat, kun je een bepaalde periode in de kunstgeschiedenis vanuit verschillende perspectieven bekijken. Het examenprogramma noemt zes verschillende manieren om de cultuur van het moderne te behandelen. Dit zijn de volgende zes invalshoeken:

1          Kunst en religie, levensbeschouwing.

2          Kunst en esthetica (alleen voor vwo).

3            Kunstenaar en opdrachtgever; politieke en economische macht.

4          Kunst en vermaak.

5          Kunst, wetenschap en techniek.

6          Kunst intercultureel.

Bijvoorbeeld: in elke periode in de geschiedenis hebben mensen regels opgesteld over wat zij smaakvol en kunstzinnig vinden. Deze regels zijn in de loop van de tijd telkens weer veranderd en ze veranderen nog voortdurend. De invalshoek ‘kunst en esthetica’ gaat over deze vraag. Wat vinden mensen in een bepaalde periode wel en niet esthetisch verantwoord? Als je een kunstwerk beschouwt, kom je vanzelf bij de vraag hoe de kunstenaar en zijn tijdgenoten over schoonheid en smaak hebben gedacht. Deze invalshoek hoort op het havo niet tot de examenstof. Daar komt de esthetica in de kunst via de andere invalshoeken aan de orde. Alleen minder uitgebreid dan op het vwo.

Bij alle perioden die bij CKV 2 behandeld worden, komen dezelfde invalshoeken terug. Hierdoor leer je overeenkomsten en verschillen ontdekken tussen de verschillende perioden. Zo zul je bijvoorbeeld zien dat de architectuur van de negentiende eeuw volkomen verandert op het moment dat men de beschikking krijgt over nieuwe materialen zoals staal en beton. Verbeterde en nieuwe muziekinstrumenten ontstaan als gevolg van nieuwe technische mogelijkheden. Andere technische vernieuwingen zorgen er in onze tijd voor dat je in de huiskamer een film kunt bekijken waarbij het lijkt of je zélf midden in de actiescène zit. Zou Madonna net zo beroemd zijn geweest in de tijd van Lodewijk XIV, toen er nog geen TMF of MTV was en alle belangrijke kunstvernieuwingen aan het hof plaatsvonden?

Door de verschillende perioden in de geschiedenis vanuit één perspectief of invalshoek te bekijken kun je ze makkelijker met elkaar vergelijken.

Elke invalshoek start met een korte inhoudelijke uitleg (waarover gaat deze invalshoek in deze periode). Daarna ga je zelfstandig of samen met klasgenoten aan de slag. Bij elke invalshoek staan een aantal probleemstellingen centraal. Dit zijn stellingen die jij moet kunnen onderbouwen met behulp van informatie. Die informatie verzamel je door middel van een onderzoek. De onderzoeksvragen helpen je om je onderzoek op te starten. Ten slotte worden er bij elke invalshoek belangrijke trefwoorden en mogelijke bronnen vermeld. De trefwoorden helpen je bij het opzoeken van informatie, bijvoorbeeld via internet. De bronnen zijn vaak belangrijke naslagwerken die je kunt raadplegen.

Probleemstellingen: hoe ga je er mee om

De probleemstellingen

In het tweede deel van afdeling 2 staan alle probleemstellingen en onderzoeksvragen die bij de cultuur van het moderne horen op een rijtje. Dit is het belangrijkste gedeelte van de methode omdat alle stof van het examenprogramma hierin is samengevat. Om je een idee te geven van hoe je onderzoek kunt doen aan de hand van probleemstellingen en onderzoeksvragen zijn in het eerste deel van afdeling 2 zes probleemstellingen gedeeltelijk uitgewerkt. Voor elke invalshoek één.

De volgende probleemstellingen komen aan de orde:

- Probleemstelling 1.3: Kunst heeft op zichzelf geestelijke waarde en universele betekenis.

- Probleemstelling 2.4: Vervreemding speelt een nadrukkelijke rol in theater en film.

- Probleemstelling 3.1: In het begin van de twintigste eeuw ontstaan er andere academies dan de traditionele academies. Er ontstaan ook zelfstandige gezelschappen rondom een persoonlijkheid.

- Probleemstelling 4.3: Satie wordt ook wel eens de ‘godfather’ van de achtergrondmuziek genoemd.

- Probleemstelling 5.1: Kunstenaars proberen de werkwijze van wetenschappers te hanteren door:

            - grondslagenonderzoek te doen,

            - de kunstopleiding als ‘laboratorium’ voor experimenten te gebruiken (Bauhaus),

            - onderzoek naar nieuwe materialen en hun eigenschappen te doen.

- Probleemstelling 6.1: De opvattingen van Bartók over volksmuziek zijn wezenlijk anders dan die van de romantici uit de negentiende eeuw.

De onderzoeksvragen

Je zult merken dat er op de onderzoeksvragen lang niet altijd een kant-en-klaar antwoord wordt gegeven. Soms staat er een stukje tekst en soms is er een boek of een artikel gebruikt als bron. Het is de bedoeling dat je met deze informatie zelf een antwoord op de onderzoeksvraag formuleert. Om je zoektocht naar antwoorden richting te geven staan bij de onderzoeksvragen geregeld aanwijzingen en opdrachten. Soms bestaan de opdrachten uit enkele vragen over de stof en soms moet je kunstwerken bekijken of beluisteren.

De onderzoeksresultaten

Net als bij de onderzoeksvragen is aan het eind van de uitwerkingen geen direct antwoord gegeven op de probleemstelling. Dat moet je zelf doen met behulp van de antwoorden op de onderzoeksvragen en de deelvragen. Met wat je hebt gevonden, formuleer je een antwoord op de probleemstelling. Daar gaat je onderzoek immers om. Let erop dat je ook in je antwoord meeneemt dat je vanuit een bepaalde invalshoek naar deze stelling hebt gekeken.

Elke voorbeelduitwerking sluit af met de volgende opdracht:

Je noteert de onderbouwing van de probleemstellingen bij deze invalshoek in 1½ tot 2 A4’tjes getypte tekst. Je voegt er afbeeldingen aan toe die relevant zijn voor deze invalshoek. Deze informatie vormt het uitgangspunt voor je presentatie.

De onderbouwing van de stelling op papier is een essentiële onderdeel van de opdracht. Deze is namelijk ook voor je medeleerlingen bedoeld om bij de afsluitende opdracht als achtergrondinformatie te gebruiken. Of elke voorbeeldopdracht ook daadwerkelijk wordt afgesloten met een presentatie, hangt af van de manier waarop de voorbeeldopdrachten in de klas worden gebruikt.