Zoeken naar cultuur in Nederland
 
  Reis door cultuur in Nederland
 
  over cultuurwijs abonneer
 
home
terug
opnieuw zoeken
opnieuw zoeken

Lakenindustrie in Leiden

Het had zo mooi kunnen zijn: de vrede getekend en bloei voor de economie. Maar het liep anders in Leiden anno 1650.
De Tachtigjarige Oorlog was in 1648 afgesloten met de Vrede van Munster en wat kon dat anders betekenen, zo dacht het Leidse stadsbestuur, dan bloei van de Leidse lakenindustrie, meer winst en meer welvaart.

Dus lieten ze, vooruitlopend op al dit moois, voor de Lakenhal drie schilderijen maken waarop verbeeld werd hoe Vrede de Handel bevordert. Op een van de drie ontvangt de stad Leiden, gepersonifieerd door een vrouw in een vlammend rood gewaad, de Lakennijverheid. De Vrede knielt aan de voeten van Vrouw Stad en links kijken de goden Mercurius en Minerva, van de handel en de wetenschap (Leiden was de oudste universiteitsstad van Holland!), tevreden toe.

Abraham, Lambertsz. van den Tempel†(ca. 1623-1672), De Stedemaagd ontvangt de Neering, 1651, olieverf op doek, 207 x 266,5 cm,†Stedelijk Museum De Lakenhal, Leiden

Bloei van buiten
Ironisch genoeg had juist de oorlog Leiden de welvaart gebracht. Toen Leiden in 1574 als eerste stad de Spanjaarden wist te verdrijven waren Vlaamse textielarbeiders, gevlucht om economische of godsdienstige redenen, zich in Leiden komen vestigen. Zij brachten nieuwe kennis en nieuwe productietechnieken mee en bliezen daarmee de failliete Leidse textielindustrie nieuw leven in. De stad werd rijker en rijker. Leiden was anno 1650 de grootste textielstad van Europa en de helft van de bevolking van ca. 100.000 personen was werkzaam in de textielindustrie.
De textielindustrie was arbeidsintensief en zwaar, met werkdagen van 10 uur of meer. Het meeste werk gebeurde thuis; mannen, vrouwen en kinderen werkten mee. Leiden was berucht om zijn kinderarbeid, waarvoor zelfs weeskinderen uit andere steden werden gehaald die letterlijk voor een hongerloontje aan het werk werden gezet.

Werk met een luchtje
Maar liefst zo'n 17 handelingen waren nodig voordat de ruwe wol een pakket wollen stof was, klaar voor de verkoop. Dat begon met het wassen van de ruwe wol in de stadsgracht en het spinnen en weven, tot het vollen, verven, scheren en persen. Vooral het vollen, het koken van de geverfde stof in een mengsel van aarde en urine (ingekocht van de bewoners van Leiden!) en daarna met de voeten bewerken om het te laten vervilten, was vreselijk onaangenaam werk. Dat vollen gebeurde door naakte mannen met hun blote voeten en de stank was onbeschrijfelijk.

Verpauperd
Waren de omstandigheden voor de arbeiders al slecht, in het midden van de 17de eeuw werden ze nog slechter. De concurrentie werd groter en de afzet stagneerde. Machines gingen het werk van de mensen overnemen. Eťn volmolen - een windmolen die houten hamers aandreef - nam het werk van honderden mensen over. Uiteindelijk lieten de fabrikanten het spinnen en weven steeds meer in Noord-Brabant doen waar de arbeid veel goedkoper was.
Van een van de rijkste steden van Holland werd Leiden een stad met hoge werkeloosheid, erbarmelijke woonomstandigheden, armoede, epidemieŽn en een hoog sterftecijfer. Van de grootse toekomstvisioenen van het Leidse stadbestuur was uiteindelijk niets terechtgekomen.†

De drie schilderijen van Abraham van den Tempel hangen nog steeds op de plaats waarvoor ze gemaakt werden: de Lakenhal werd in 1874 museum.†††

Annemarie Vels Heijn



Zie ook..
Instelling:
Digitaal Erfgoed Nederland
Publicatiedatum:
24 maart 2004