Lairesse en de geleerde schilderkunst

Apollo and Aurora, 1671

De schilder Gťrard de Lairesse is een van die kunstenaars van de tweede helft van de l7de eeuw die zijn ideeŽn over de kunst heeft bijeengebracht in een 'geleerde' verhandeling. In zijn traktaat, het Groot Schilderboek geheten, neemt de schilderkunst als eerste in de hiŽrarchie der beeldende kunsten een uitgebreide plaats in. Vervolgens heeft de schrijver het over de teken- en de grafische kunst, de beeldhouwkunst en de architectuur. In zijn uitgebreid betoog houdt Lairesse een pleidooi voor geleerde schilderkunst die zich in alles 'schilderachtig' dient te tonen, waarbij bekendheid met de kunsten van het "kritiek" onontbeerlijk is. Dit laatste dient zichtbaar gemaakt te worden in de belangrijkste der genres in de schilderkust, namelijk die van de storia, de historiŽ.

In een passage beweert de auteur dat

"[...] het Schilderachtige, naamentlyk het schoonste en uitgeleezenste, niet anders [is] als het geene waardig is geschilderd te worden "[Ö]

Als classicistisch, op de Franse schilderkunst georienteerde kunstenaar en theoreticus brengt Lairesse om die reden een groot aantal voorbeelden uit de beeldende kunsten naar voren waaruit het 'schilderachtige' blijkt. 

Het 'schilderachtige' dat volgens hem dient te getuigen van het gebruik van de klassieke regels van de kunst. Daarbij speelt kennis van het decorum, van de actiŽn en de passiŽn een evidente rol. Om zijn lezers te overtuigen van deze noodzaak voert hij Italiaanse kunstbroeders van een ver en een nabij verleden, evenals Franse contemporaine schilders ten tonele. Lairesses bekendheid met deze in zijn tijd reeds gewaardeerde kunstenaars is groot. Uit veel van zijn vaak kritische opmerkingen over hun kunstwerken blijkt zijn uitmuntende visuele herinnering.

Een geleerd schilder dient in de ogen van Lairesse een uitgebreid repertoirekennis van de beeldende kunsten en de architectuur te bezitten. Maar meer nog onderscheidt de pictor doctus zich, zo kan men opmaken uit Lairesses woorden, door zijn vertrouwdheid met bijbelse, klassieke en historische literatuur, met theologische en juridische traktaten en niet in de laatste plaats met al dan niet comtemporaine (kunst)theoretische geschriften.  

 Gťrard de Lairesse: Het Groot Schilderboek. Haarlem 1740. Tafel 54.

Van de boekbanden die wellicht deel hebben uitgemaakt van Lairesses boekerij is de kunsthistoricus tot op heden niets bekend. Wel is men op de hoogte van de literatuur die de schilder heeft geraadpleegd, aanbevolen en in sommige gevallen bestudeerd; het Groot Schilderboek vermeldt een groot aantal titels. Lairesse heeft dit echter niet systematisch gedaan. Daar waar hij naar aanleiding van onder meer een schilderkundig 'probleem' een explicatie wenst te geven, verwijst hij naar (kunst)theoretische literatuur. Het is duidelijk dat hij de positie van de schilderkunsten, dus die van de schilder- verheven weet boven het louter ambachtelijke. Hierin staat Lairesse niet alleen. In zijn tijd was de discussie reeds in volle gang aan welke eisen de schilderkunst diende te voldoen. 

Het Groot schilderboek 1707

Groot Schilderboek 1836

Het Groot Schilderboek is om die reden niet slechts bedoeld als een soort praktisch 'handboek' voor de schilder, maar ook als een bijdrage aan de discussie over de positie die de schilderkunst, en dan in het bijzonder de geleerde schilderkunst, inneemt in het ruime gebied van de beeldende kunsten.

De 5 zintuigen    Het gehoor: muziek. Het zien door de spiegel. De smaak door het fruit en de reuk door de bloemen. De opgeheven hand met de  vogel geeft het vijfde zintuig weer.
"Ten dien einde is het nodig, dat men leesgierig zy, en zich wel voorzie van boeken, die ons daar omtrent groot licht konnen geeven; [...] moetende ieder zich in zyne weetenschap wegens het onderzoek bevlytigen; zo moet ook een Schilder in die uitbeeldingen, welke hy het meest behertigt, en daar hy zich voomamentlyk op zet en toelegt, kundig wezen, 't zy dat hy aan het Antiek of Modern zyne naarstigheid te koste legt. Hier door bemerkt men, indien een Schilder zich begeeft tot alles, dat 'er een groote kennis vereischt word; dewyl hy dan wel van alles kennisse behoorde te hebben, ja meer dan veele andere Konstenaars in hunne weetenschappen: want hy dient ten deele Wiskunde, Natuurkunde, Waereldkunde, Historiekennis, en andere zaken te weten. Men vermyde dan de dingen, daar wy niet kundig in zyn [...]. De Schilderkonst [is] een der grootste wetenschappen."

(Kunst) theoretische bronnen

Uit het citaat blijkt Lairesses opvatting dat de schilder, zoals de wetenschapper dat ook is, deskundig moet zijn. Derhalve maakt de schilderkunst als "[...] een der grootste wetenschappen" gebruik van wat men misschien het beste als 'hulpwetenschappen' kan omschrijven. De 'hulpwetenschappen' die de auteur zo noodzakelijk acht, behoren traditioneel tot het terrein van de ware schilderkunst. Door het al dan niet direct tonen van deze 'hulpwetenschappen' in panelen en doeken, behoedt men de schilderkunst voor haar verval. Haar status blijft gehandhaafd.

Welke literatuur en met welke redenen -en hier beperken we ons nadrukkelijk tot (kunsttheoretische bronnen- noemt de auteur in zijn Groot Schilderboek als 'bagage' voor de zichzelf respecterende, dus geleerde schilder?

Ad a: handboeken en schilderboeken

Ad b: anatomische handboeken

Ad c: tractaten over actiŽn en passiŽn

Lairesses gedachten over de landschapsschilderkunst

Samenstelling bronmateriaal uitsluitend en alleen ten behoeve van het nieuwe vak ckv-2 uit het algemeen deel  voor havo en atheneum. Overnemen voor commerciele doeleinden verboden. Meewerken aan deze site? Opsturen via e-mail is voldoende. 

Is er zonder uw toestemming en zonder bronvermelding gebruik gemaakt van uw teksten? Onze verontschuldigingen hierover. Laat het ons weten en wij geven een juiste bronvermelding of halen het materiaal van internet. Een financiele vergoeding kunnen wij helaas niet geven.


12/16/2014 last update